Welkom in Surhuisterveen
Surhuisterveen (Fries: Surhústerfean) is een van de twaalf dorpen van de Friese gemeente Achtkarspelen. Het dorp telt 5748 inwoners (1 jan. 2006).

De naam van het dorp verwijst naar de veenkoloniale tijd en betekent letterlijk Surhuizerveen, de veengronden ten zuiden van het tegenwoordig kleinere, maar oudere Surhuizum.

Surhuisterveen is aan het eind van de 16e eeuw ontstaan door de eerste turfgravers en schippers, die hier hun woningen bouwden.

Ten zuidoosten van het dorp begint het oude riviertje de Lauwers, al is dit in het begin niet meer dan een sloot te noemen.

Tegenwoordig heeft Surhuisterveen een regionale functie.

Geschiedenis
Surhuisterveen wordt ook wel ’It Fean’ genoemd. De plaatsnaam verraadt een veenkoloniale geschiedenis. Surhuisterveen is dan ook omstreeks het jaar 1600 ontstaan als een plaats van turfgravers en turfschippers. Deze historie is in het moderne Surhuisterveen slechts nog herkenbaar aan een aantal straatnamen. De wijken en de vaart (Gedempte Vaart) die door het dorp liepen zijn gedempt. Het zijn vooral de monniken geweest die van invloed zijn geweest op het ontstaan van Surhuisterveen. Zij behoorden tot de pioniers van de vervening, in hun kielzog volgden snel de ambachtslieden en de winkeliers.

Doopsgezinde Gemeente
De Doopsgezinde Gemeente van Surhuisterveen is ontstaan rond 1600 tijdens de verveningen van Surhuisterveen. Rond 1620 heeft er zeker al een Vermaning (Formanje) gestaan, want de eerste bekende leraar Gabbe Paulus stierf in 1643. De predikanten in latere periodes (zoals. D. Pekelharing) hebben een bijdrage geleverd aan de verbetering van Surhuisterveen. De huidige Vermaning dateert van 1804.

Brethren
Van 1720 tot 1729 heeft er een groep Duitse Doopsgezinden uit Schwar-zenau in Surhuisterveen of omgeving gewoond. Zij lieten zich dopen in een poel te Kortwoude. Van hun verdere verblijf in Surhuister-veen is vrijwel niets bekend. Van Surhuisterveen gingen ze via Rotterdam met het schip ‘Allen’ naar de Verenigde Staten van Amerika. Ze vestigden zich in Pensylvanië en vormden daar de groep ‘Church of Brethren’

Oorsprong/verklaring :
De boven het wapen geplaatste kroon en fleurons geven de grootte van het dorp aan. Het klaverblad wijst op weidegrond in vroegere jaren met de eikel, zijn de het gebruik als veevoer. De twee turven zijn het symbool voor de eerdere vervening en turfafgravingen in deze streek. De blauwe horizontale baan is de Feanster Feart welke vroeger door het dorp liep.
De rode verticale baan stelt de weg voor in vroegere jaren tussen de dorpen Groninger- Opende (prov. Groningen) en Harkema-Opeinde (prov. Friesland). De goud-gele ondergrond wijst op de zandgronden.


Bekende oud-feansters

Surhuisterveen, Surhuisterveensterheide, Boelenslaan, Vierhuizen en het Wyldfjild
Haye Frankes, lange Haye mei de aap.
Evert Hoekstra.
Jan Hepkes Wouda, de liger fan 't Fean.
Ds. Dirk Pekelharing
Steffen Dijkstra, de útfiner fan 't Fean.
Lange Jasper Pool, skieppekeapman.
Siebe 'Snor' Veenstra, lompen en metalen.
Andries en Aaf van der Veen, Bauke Oldenburger.
Pieter en Baaie Gjaltema, de ranja-thee berenburg,
Ds. Johannes Antonie Visscher, dominee op de arme Friese heide.
Rones en Tjipkje Pander, de rijstboer van de Trije Roeden.
Siebe 'Toekje' en Klatra Veenstra, Jan 'Toekje' en Pietje Veenstra.
Sjoerd 'Rommel', Melle 'Rommel', Miente 'Hountsje' en Willem 'Stek' Stienstra

{ Overgenomen uit het boek van Douwe de Graaf. }
Aan Rus,

Een bekende verschijning in Surhuisterveen, die zijn kunsten en spreuken vertoonde op zijn fiets.
De reusachtige vis

In een vaart bij het Friese dorp Surhuisterveen leefde een reusachtige snoek, een echte aartsvader. Hij was zo groot dat hij alleen in een zwaaikom voor schepen keren kon, en zo oud dat er mos op zijn kop groeide. Elke zaterdag zwom hij naar Dokkum om zich te laten scheren. Daartoe moest hij zich in de sluis bij Roodeschuur laten schutten. Anderen vertellen dat er een graspol op zijn hoofd stond; daarin zat een eend te broeden. In droge zomers raakte hij wel eens vast en dan blokkeerde hij alle scheepsverkeer. Als hij zich weer losgeworsteld had, was de vaart weer mooi op diepte; de modder lag keurig op de kanten. Hij voedde zich met vee (schapen, lammeren, geiten en zo nu en dan een kalf) dat hij van de wal plukte als het wilde drinken.


            De Surhuisterveenster leugenbaron Jan Hepkes Wouda (-> Münchhausiaden) heeft hem ten slotte kunnen vangen, maar daar gingen heel wat vergeefse pogingen aan vooraf. Eens bond hij op een avond een tros met als haak een anker en daaraan een kip als aas aan zijn kozijn -- hij woonde bij de vaart -- maar de volgende ochtend werd hij wakker door de wind die vrij spel in zijn huis had: de snoek had het hele raam eruit getrokken. Uiteindelijk kreeg Jan hem te pakken. Hij zat in zijn bootje toen de vis toehapte. Urenlang heeft het ondier hem meegesleurd de vaart op en neer, waarbij ze telkens bij Roodeschuur moesten schutten, maar ten slotte wist Jan hem te kalmeren door hem eieren te voeren en werd hij mak. Het verdriette Jan nu om de snoek te doden, en hij liet hem weer zwemmen. En sindsdien trekt de snoek hem uit vrije wil, als Jan er eens op het water op uit wil.